1962 NIW article In memory of Jacobus Kann

 

Ter herinnering aan Jacobus Kann

Erets Israël, het Joodse land, is het land Canaan, het Lage Land of „De lage Landen” van de Oudheid. En inderdaad het lage deel van Judea, vooral de kust, doet aan Nederland denken. Dat heeft mij als Nederlandse Jood plezier gedaan, want al ben ik geheel een met het Joodse Volk ik gevoel mij tegelijkertijd Nederlander, zeer gehecht aan Nederland, waarvan ik houd, zoals men slechts van zijn geboorteland houdt. (J. H. Kann: Ere*s Israël, Ie Pays Juif, 1910)

IN 1896 liet Herzl de „Judenstaat” verschijnen. Het eerste Zionistencongres kwam in 1897 bijeen. Kann — pas 25 jaar oud, maar aan het hoofd van een Haags bankiershuis — had zich toen al ter beschikking van Herzl gesteld. Op de vraag waarom hij naar het eerste Congres is gegaan, antwoordt hij:

„Al in mijn jeugd, toen ik inzicht begon te krijgen in het lot van het Joodse volk ging ik in zijn terugkeer naar Palestina — en dat in afzienbare tijd — geloven. Dat het zich daar weer zou vestigen, kwam mij in het geheel miet utopisch voor.
Toen verscheen de „Judenstaat”. Het boek en de schrijver trokken mij aan. In elke jood leeft min of meer de verwachting van de Messias. Ik zei tot mijzelf: Waarom niet? En waarom niet nuf Daarom ging ik naar liet eerste Zionistencongres.”

Het tweede congres (1898) besloot tot oprichting van een bank, de Jewish Colonial Trust. Wolffsohn en Kann wisten haar in stand te houden ondanks een sterke oppositie en een veel langzamer en geringer aankoop van aandelen dan waarop men had gehoopt.

Na het overlijden van Herzl (1904) werd Kann lid van het „Kleine Aktions Comité”, de Executieve van de Zionistische organisatie, die onder leiding van Wolffsohn was komen te staan, met wie hij in bestendige vriendschap was verbonden. Kann was „politiek Zionist” en stelde hoge eisen aan de soliditeit van het bankbeheer: het moest tot een conflict komen met de „practici”, die in Palestina aan de slag wilden zonder langer op politieke garanties te wachten. Het tiende congres (1911) liet hen (Sokolow, Sjmarja Levin) de leiding overnemen.
„Als ik een verantwoord bankbeleid verdedig en zeg dat tweemaal twee vier is, roept Sjmarja Levin: „Hoch die Hebraïsche Sprache”, zei Kann.

Zijn Zionistische activiteit verflauwde niet. Toen in de eerste wereldoorlog de fondsen van het J.N.F, gevaar liepen, werden ze van Keulen naar Den Haag overgebracht. Kann — met De Lieme en anderen — nam het beheer op zich en bracht ze onaangetast door de oorlog.

Het hoogtepunt van zijn leven kwam in 1924; de Nederlandse regering wilde een eigen consulaat in Jeruzalem vestigen. Kann ambieerde de post en de regering wilde niemand liever dan hem.

Hij liet zijn bankiershuis voor wat het was en ging het nieuwe ambt inhoud geven. Mevrouw Kann — Anna Kann-Polak Dan iels — verstond de kunst van representatie en gastvrijheid als geen ander. Na vier jaar noopte haar gezondheid hen tot terugkeer naar Nederland. Het consulaat der Nederlanden in Jeruzalem, was blijvend gevestigd.

Kann is tijdens de bezetting via Barneveld en Westerbork in Theresienstadt beland. Hij was toen al ernstig ziek en hij is er overleden.

Jacobus en Anna Kann zijn onvergetelijk voor wie eens de hartelijke en warme ontvangst in Villa „Anna” is ten deel gevallen.

Wie Kann aan zijn ziekbed in Tlieresienstadt opzocht — het meeste v-j. i hij dringend nodig had, ontbrak — werd met de charme en de hoffeiijkhe: gen, die hem nooit hebben verlaten. Klagen was hem vreemd.

Zijn enige dochter, mevrouw Kann, woont in Israël. Van zijn zoona heeft er één zich opgeofferd om het leven van zijn zoon te redden. In de wijk van de omgekomen Nederlandae ver strijders in Amsterdam-West is een straat naar een andere zoon genoemd.
Bij deze ouders is dat alles niet verwonderlijk.

In memory of Jacobus Kann

Erets Israel, the Jewish country, is the land of Canaan, the Low Land or “The Low Countries” of Antiquity, and indeed the low part of Judea, especially the coast, reminds us of the Netherlands. , because even though I am completely at one with the Jewish People, I feel at the same time Dutch, very attached to the Netherlands, which I love, just as one loves his native country. (JH Kann: Honorary s Israel, Ie Pays Juif, 1910)

In 1896 Herzl published the “Judenstaat.” The first Zionist congress met in 1897. Kann – only 25 years old, but at the head of a Hague banker’s house – had already made herself available to Herzl. the first Congress has gone, he replies:

“Already in my youth, when I started to understand the fate of the Jewish people, I started to believe in Palestine – and for the foreseeable future – in return. That it would settle there again, did not seem utopian to me at all.
Then the “Judenstaat” appeared, the book and the writer drew me in. In each Jew more or less expects the Messiah’s expectation, I said to myself, “Why not?” And why not nuf So I went to the first Zionist congress. “

The second congress (1898) decided to establish a bank, the Jewish Colonial Trust. Wolffsohn and Kann managed to maintain it despite a strong opposition and a much slower and lesser purchase of shares than had been hoped for.

After the death of Herzl (1904), Kann became a member of the “Small Action Committee”, the Executive of the Zionist organization, led by Wolffsohn, with whom he was associated with lasting friendship. “and put high demands on the soundness of banking management: it had to come to a conflict with the” practitioners “, who wanted to work in Palestine without waiting for political guarantees for a longer period of time.The tenth congress (1911) allowed them (Sokolow, Sjmarja Levin) take over the leadership.
“If I defend a responsible banking policy and say that twice two is four, Shmarja Levin shouts:” Hoch die Hebrasche Sprache “, said Kann.

His Zionist activity did not fade. When the funds of the J.N.F were in danger during the First World War, they were transferred from Cologne to The Hague. Kann – with De Lieme and others – took over the management and brought them unaffected by the war.

The highlight of his life came in 1924; the Dutch government wanted to establish its own consulate in Jerusalem. Kann wanted the post and the government did not want anyone better than him.

He left his banker’s house for what it was and went to give the new office. Mrs Kann – Anna Kann-Polak Dan iels – understood the art of representation and hospitality like no other. After four years her health forced them to return to the Netherlands. The consulate of the Netherlands in Jerusalem was permanently established.

Kann ended up in Theresienstadt during the occupation via Barneveld and Westerbork. He was already seriously ill and he died there.

Jacobus and Anna Kann are unforgettable for whom once the warm and warm welcome in Villa “Anna” has been granted.

Whoever visited Kann at his sickbed in Tlieresienstadt – the most v-j. he urgently needed, was lacking – with the charm and the courtesies that never left him. Complaining was strange to him.

His only daughter, Mrs. Kann, lives in Israel. One of his sons has sacrificed himself to save the life of his son. In the neighborhood of the killed Dutch soldiers in Amsterdam West, a street was named after another son.
With these parents, everything is not surprising.

Last Updated On May 18, 2018