1962 NIW article Young Tel Aviv was in the possession of Kann for years

 

A letter send to NIW, with details from teh annual report of Bank Leumi for its sixtiest anniversary.

Details about the mortgage construction, each of the 60 families rented a house from Kann. Only after WW1 could they change this construction.

 

 

 

 

Jong Tel Aviv was jarenlang in bezit van Jacobus H.Kann

Nu u zojuist — in uw nummer van 20 juli 1962 — een herinnering aan Jacobus Kann hebt geplaatst lijkt het aardig daaraan lets toe te voegen. Temeer daar de toevoeging zojuist In ruimere kring bekendheid heeft verkregen doordat de Bank Le’oemie Lejisraeel, voortgekomen uit de Jewish Colonial Trust, zojuist haar naar aanleiding van het zestigjarige bestaan van de bank prachtig uitgegeven jaarverslag met enkele punten uit de bewogen geschiedenis heeft geopend.

Jaoobus H. Kann behoorde tot de occate directeunen van de in 1902 te Londen opgerichte Angle-Palestine Company — dochter van de Jewish Colonial Trust — welke A.P.C, in 1803 haar eerste bankierskantoor in Jaffa opende en die vandaag als Bank Le-oemi Lejisraeel baar zestigjarig bestaan herdenkt.

Naar bekend is kwamen in het jaar 1907 een aantal joodse inwoners van Jaffa bijeen om te overleggen of zij buiten bet oude en niet zeer hygiënische Jaffa een tuindorp zouden stichten. In 1908 vormden zij een maatschappij, die in de duinen ten noorden van Jaffa grond verwierf en in 1909 -werd de eerste steen gelegd voor het eerste huis. Deze plechtigheid, onder leiding van de dynamische Meïr Dizengoff — die later de eerste burgemeester van Tel Aviv zou worden — droeg een gewijd verheven karakter. lets voelden deze „founding fathers” van de vernieuwing, die zij tot stand brachten, iets ook van het pioniersscnap, dat deze daad inspireerde.

In datzelfde jaar 1909 waren de pioniers ook bij de Anglo-Palestine Company gekomen in verband met de financiering van hun plannen. Jacobus H. Kann was toen president-directeur en Palestina stond onder Turks regime. De Ottomaanse wetten kenden in de eerste plaats geen kadaster en verder konden maatschappijen en soortgelijke lichamen geen land bezitten noch hypotheken nemen of geven.

De hieruit voor de bank en voor de pioniers voortkomende moeilijkheden werden opgelost door het opmaken van contracten, waarbij Jacobus H. Kann te Den Haag als eigenaar van de grond op deze grond huizen Jiet bouwen. De andere partij nam op zich voor Jacobus H. Kann een buis te bouwen — en zestig dergelijke verplichtingen werden aaagegaan.

Bij de verdere stukken hoorde vervolgens een huurcontract, volgens hetwelk de Haagse bankier aan ieder van de zestig pioniers een huis verhuurde. In deze en andere stukken werden de financierings- en hypotheekvoorwaarden van de Anglo-Palestine Company geïncorporeerd.

Aan de Ottomaanse voorschriften was voldaan en de kleine tuinstad buiten Jaffa kon gebouwd worden. Eerst na beëindiging van het Turkse regime over Palestina, na afloop van de eerste wereldoorlog dus, kan deze interessante constructie normalere vormen gegeven worden.

Maar al die jaren was de Hagenaar Jacobus H. Kann enig eigenaar van het kleine centrum ver weg in de duinen buiten Jaffa, waaruit in de loop der jaren de eerste geheel-joodse stad na tweeduizend jaar groeien zou.

F. SPITZ

Young Tel Aviv was in the possession of Jacobus H.Kann for years

Now that you have just placed a memory of Jacobus Kann in your number of 20 July 1962, it seems nice to add something to it. All the more because the addition has just become known in a broader circle because Bank Leumi, originating from the Jewish Colonial Trust, has just opened its beautifully published annual report with a few points from the eventful history in response to the bank’s 60th anniversary.

Jaoobus H. Kann belonged to the occate directors of the Angle-Palestine Company – a subsidiary of the Jewish Colonial Trust – founded in London in 1902 – which APC opened its first banking office in Jaffa in 1803 and which today as Bank Leumi commemorates it’s sixty-year-old existence.

It is known that in the year 1907 a number of Jewish residents of Jaffa met to discuss whether they would establish a garden village outside the old and not very hygienic Jaffa. In 1908 they formed a society, which acquired land in the dunes north of Jaffa and in 1909 – the first stone was laid for the first house. This ceremony, led by the dynamic Meir Dizengoff – who later became the first mayor of Tel Aviv – carried a devotedly exalted character. Something felt these “founding fathers” of the innovation that they brought about, something of the pioneering sneak that inspired this act.

In the same year 1909, the pioneers had also joined the Anglo-Palestine Company in connection with the financing of their plans. Jacobus H. Kann was then president and Palestine was under Turkish rule. In the first place, the Ottoman laws did not have a land register and furthermore, companies and similar bodies could not own land or take out mortgages.

The difficulties that arose for the bank and for the pioneers were solved by the drawing up of contracts under which Jacobus H. Kann in The Hague, as the owner of the land, built Jiet on this land. The other party agreed to build a pipe for Jacobus H. Kann – and sixty such obligations were accepted.

The next documents then included a lease, according to which the bank from The Hague leased a house to each of the sixty pioneers. In these and other documents the financing and mortgage conditions of the Anglo-Palestine Company were incorporated.

The Ottoman regulations were met and the small garden city outside Jaffa could be built. Only after the termination of the Turkish regime over Palestine, after the end of the first world war, could this interesting construction be given more normal forms.

But all those years the Hague-born Jacobus H. Kann was the sole owner of the small center far away in the dunes outside Jaffa, from which the first whole-Jewish city would grow after two thousand years.

F. SPITZ

Last Updated On May 20, 2018